PG Logo

Kerstverhaal voor Hoorn

Lammy Vriesinga schreef een kerstverhaal voor onze stad. Gepubliceerd in het Hoorns Nieuwsblad van 17 december j.l.

Een goede buur 

Als Frans Zomers naar buiten komt en naar de  grauwgrijze lucht kijkt, stapt hij onmiddellijk in zijn laarzen en trekt de capuchon over zijn hoofd. De hemel belooft een heleboel regen. Als de wiedeweerga moet hij het losgeraakte zeil op de kippenren vastzetten, zodat de dieren droog blijven. Intussen wordt het al drukker op de dijk, zoals elk jaar op deze avond. Hij hoopt maar dat het voorbijtrekkende volk hem met rust laat. Op hun goedbedoelde aansporingen zit hij niet te wachten. Hoofdschuddend ziet hij  hen voorbijkomen. Met z’n allen op weg naar de kerk. Allemaal, behalve hij.

Intussen regent het bakstenen. Als het zeil vastzit, loopt hij met zijn zaklamp de dijk op om een blik op de duistere uiterwaarden te werpen. Binnen enkele uren staat het hier blank, beseft hij. Het is donkerder dan donker. In de verte luiden klokken. De regen tikt nadrukkelijk op zijn cape, als een kind dat aandacht opeist. Frans huivert. Voortmaken moet hij, wil hij de detective op het tweede net niet missen. Binnen  wachten een knetterend haardvuur, zijn luie stoel en een goed glas wijn. Kerst kan hem gestolen worden.

Kerstavond

Toch is Frans een gelovig christen. Opgegroeid met de Bijbel, houdt hij de tien geboden in ere, bidt dagelijks en bezoekt kerkdiensten, behalve met Kerst.  Eind december schuilt hij in zijn eigen bubbel. Kerst past hem niet, smaakt hem niet, doet hem niets. Dat God zich vermomd heeft als een armoedig kind wil er bij  hem niet in. Een door godgeleerden bedacht sprookje, om het evangelie naar hun hand te zetten. Een verzinsel waaraan elke logica ontbreekt. Waarom zou de Almachtige zich verlagen tot een nietig schepsel in een stinkende stal met beesten? In een leven na de dood gelooft  hij wél. De natuur is voor hem het levende bewijs. Met Pasen kan Frans dan ook beter uit de voeten dan met Kerst.

Ontsnapt

Zijn aandacht wordt getrokken door  schimmen onderaan de dijk. Hij knipt de zaklamp aan. Tussen de greppel en het drassige achterland staat een stel schapen met hun poten in de modder. Ontsnapt uit het land van buurman Harmsen. Geen mens in de wijde omtrek die hen te hulp schiet. Niemand, behalve hij.
Maar hoe krijgt hij die dolende beesten in hemelsnaam op het goede pad? Een hek slopen en een loopplank improviseren? De sukkels stuk voor stuk met een touw door de greppel sleuren? De politie bellen? Jan en alleman zit in de kerk. Hoelang duurt zo’n dienst wel niet? Angstig blatend drommen de schapen bijeen. Hun hoeven zakken weg in de zompige aarde.
Frans springt over de greppel, grijpt een vacht, trekt, schreeuwt, dreigt en smeekt…
De beesten verzetten geen poot.
Zijn capuchon glijdt af. Hemelwater druipt langs zijn nek. Achterdochtig loert hij naar de ongelukkige dieren, zich afvragend of ze wel beseffen wat hem bezielt. Het valt voor de drommel niet mee om hun reddende engel te zijn. Schaapachtig staren ze terug.

Maar wacht. Een ingeving. Hij rent naar de molen, keert even later terug met een kruiwagen vol gevulde meelzakken, smijt die in de greppel, stapelt en schuift ze naast en op elkaar en stampt er opgewonden overheen. ‘Gelukt,’ roept hij. ‘Nu jullie. Kom op, lópen…’ Opnieuw duwt hij tegen schapenkonten. Ze durven niet. Geloven het niet. Vertrouwen hem niet.
Hun wanhopig blaten beroert hem meer dan hij wil toegeven. Maar aan medelijden doet Frans niet. Deernis leidt tot verlamming. Hij handelt liever. Redden zal hij. Tegen de tijd dat ze veilig staan, zal die onzalige kerkdienst wel een keer afgelopen zijn. Frans wil gewoon een goede buur zijn.

Hulp!

Na een tijdje vruchteloos zwoegen, beseft hij dat hij niets bereikt. De boer moet erbij komen. Er zit helaas niets anders op dan dat hij zich onverwijld ter kerke begeeft. Vanavond moet Frans Zomers eraan geloven.  De koster heeft aan een paar woorden genoeg. ‘Wacht hier,’ zegt ze. ‘Ik ga hem halen.’ Orgelspel vergezelt haar. Nu zijt wellekome…
Behoedzaam sluit ze de deur tussen het voorportaal en de kerkzaal en begeeft zich naar de plek waar Harmsen zit te dommelen. De kerkgangers zitten met hun ruggen naar hem toe. Door de getinte ruitjes in de deur verschieten hun hoofden van kleur. Grijze haren hebben een paarse gloed, blonde lokken ogen groen. Het licht van een kroonluchter weerkaatst in de glimmende kruin van een ouderling. De koster komt terug. Met de buurman.
Frans is goed een wel terug op de dijk, als hij de Harmsen ziet aankomen. Hij heeft een schaap bij zich en leidt het dier met zachte dwang naar de greppel en vervolgens over de meelzakken heen en terug. Alsof het niets is. De bange schapen volgen een voor een. Frans weet niet wat hij ziet. ‘Heb je dat beest gehypnotiseerd?’ Terwijl ze de kleine kudde naar de boerderij voeren, bedankt Harmsen hem.
‘Weet je wat het is,’ zegt hij. ‘Je had niets kunnen uitrichten, net zomin als ik dat in mijn eentje had gekund. Als jij zelf een schaap was geweest, waren ze jou wel gevolgd. Alleen zo had je hen kunnen redden.’
Frans luistert. Harmsen werpt een steelse blik op zijn buurman. ‘Zeg nou zelf, buur, als jij in de problemen zit, wend jij je toch ook tot iemand die is als jij?’  Hij glimlacht. ‘Welnu, zo is het ook met mijn schapen. Snap je?’

Met een glas wijn staat Frans voor het raam in zijn woonkamer. De detective heeft hij gemist.  Harmsens woorden blijven rondzingen.
Het regent niet meer. Een milde wind drijft de wolken uiteen. In het oosten licht een ster op. Stilaan begint het hem te dagen. Hij heft het glas naar zijn spiegelbeeld. ‘Ja,’ mompelt hij, ‘Ik geloof dat ik het snap.’