filosoof

In verband met de Freud Schönberg en Glassavond van afgelopen dinsdag een gedicht van Schönberg. Het is vrij naar Psalm nr. 1

O, gij, mijn God: alle volkeren prijzen u
en verzekeren u van hun toewijding.
Wat echter kan het voor u betekenen
of ik dat ook doe of niet?
Wie ben ik, dat ik geloven zou
dat mijn gebed een noodzaak is?
Als ik God zeg, weet ik
dat ik daarmee van de Enige, Eeuwige, Almachtige,
Alwetende en Onvoorstelbare spreek,
van wie ik mij een beeld maken kan noch mag,
die mijn vurigste gebed zal verhullen of verontachtzamen.
En desondanks bid ik, zoals al wat leeft bidt;
desondanks vraag ik om genade en wonderen, vervullingen.
Desondanks bid ik, want ik wil het gelukzalige gevoel
van eenheid, verbondenheid met u, niet kwijtraken.
O gij, mijn God, uw genade heeft ons het gebed gegeven,
als een verbintenis, een gelukzalige verbintenis met u.
Als een zaligheid die ons meer geeft
dan welke vervulling ook.

Arnold Schönberg
29 september 1950