PG Logo

Delf mijn gezicht op

bijdrage van ds. Meinders

Het is al weer bijna een jaar geleden dat we Huub Oosterhuis in ons midden hadden. Wat is er veel gebeurd sindsdien. We zijn op onszelf teruggeworpen. Wie ziet me nog, wie ziet de ander nog. In dat verband herlas ik het gedicht van Oosterhuis in de oorspronkelijke, niet berijmde versie:

Delf mijn gezicht op, maak mij mooi.
Wie mij ontmaskert zal mij vinden.
Ik heb gezichten, meer dan twee,
ogen die tasten in den blinde,
harten aan angst voor angst ten prooi.
Delf mijn gezicht op, maak mij mooi.

Delf mijn gezicht op, maak mij mooi.
Wie wordt ontmaskerd wordt gevonden
en zal zichzelf opnieuw verstaan
en leven bloot en onomwonden,
aan niets en niemand meer ten prooi.
Delf mijn gezicht op, maak mij mooi.

‘Delf mijn gezicht op’ is een tekst die als het ware zichzelf in de spiegel bekijkt, want de twee coupletten van het lied lopen opmerkelijk parallel. En dat heeft ook een duidelijke functie. Want is de ervaring in het eerste couplet beklemmend en beangstigend, in het tweede couplet lijkt zich een deur te openen naar bevrijding en zelfontplooiing.
Dat het met dit lied en met de ‘ik’ van het lied de goede kant op gaat, is al vanaf het begin duidelijk. Eigenlijk al vanaf het allereerste woord. Er is sprake van ‘opdelven’. Dat is iets heel anders dan ‘opgraven’ of ‘opspitten’, of wat dan ook. Opdelven doe je met delfstoffen. Het gaat dus om iets kostbaars. Denk maar gerust aan goud of zilver. Zo kostbaar, zo bijzonder is dat gezicht, is elk gezicht.
Maar het kostbare komt alleen aan het daglicht, als iemand anders het gaat opdelven. En zolang dat niet gebeurt is er beklemming, voel je je ongezien, ben je niet lekker thuis in jezelf.
Daarom is de opening, tevens het refrein, niet zomaar een vraag, maar een vraag van levensbelang: de ‘ik’ wil tevoorschijn geroepen worden. Als ‘mijn gezicht’ niet opgedolven wordt, gaat er iets kostbaars verloren. Maar als het wel opgedolven wordt, dan krijg je iets prachtigs te zien. Door het opdelven wordt het gezicht van de ‘ik’ mooi.
Tot wie is de vraag gericht? Is het een gebed tot God? Is het een dringend verzoek aan een naaste? Dat zou allebei kunnen. Als het een gebed tot God is, dan is het in de trant van Psalm 139: Jij peilt mijn hart, doorziet mij; doe dat dan bij mij. Maar, zeker indirect, is het ook een vraag aan mensen: geef anderen de kans hun eigen gezicht te laten zien; heb aandacht, heb geduld. En misschien is de tekst ook wel gericht tegen het ‘spiegelbeeld’, heeft het ook iets van een oproep naar mijzelf: durf je gezicht te laten opdelven, kom uit je schulp.