Veertigdagentijd
‘Genoeg’. Het is zo’n woord dat tegelijk rust geeft en onrust oproept. We zeggen het tegen een kind dat te veel snoep pakt, en tegen onszelf als de agenda weer eens uitpuilt. Maar eerlijk is eerlijk: wanneer is het eigenlijk genoeg? Als je al veel hebt, wil je dan niet stiekem nog meer? En als je weinig hebt, heb je dan wel genoeg om het einde van de maand te halen?
We staan aan het begin van de veertigdagentijd. Een tijd van vertragen, versoberen, oefenen in aandacht. Niet omdat God van kale boterhammen houdt, maar omdat wij soms vergeten wat ons werkelijk voedt. Jezus zegt in de Bergrede: ‘Waar je schat is, daar zal ook je hart zijn’ (Mattheüs 6:21). Dat is geen dreigement, eerder een liefdevolle diagnose. Ons hart volgt wat wij belangrijk maken.
Op 1 maart staan / stonden we in de themadienst stil bij armoede. Bij mensen voor wie ‘genoeg’ geen filosofische vraag is, maar dagelijkse stress. Genoeg geld voor boodschappen. Genoeg warmte in huis. Genoeg perspectief. Dat schuurt. Want terwijl de een vasten ziet als spirituele oefening, vast de ander noodgedwongen het hele jaar door. Dat besef mag ons ongemakkelijk maken. Misschien is dat wel het begin van echte bezinning.
De Bijbel is opvallend nuchter over genoeg. In Spreuken 30 bidt Agur: ‘Geef mij niet te veel, maar ook niet te weinig.’ Geen villa, geen bedelnap. Gewoon: dagelijks brood. Dat klinkt verdacht veel als het Onze Vader. Jezus leert ons niet te bidden om een voorraad voor vijf jaar, maar om brood voor vandaag. Blijkbaar is vandaag al uitdagend genoeg.
Toch leven we in een cultuur van ‘meer’. Meer keuzes, meer spullen, meer prikkels. Zelfs in de supermarkt kun je verdwalen in de yoghurt. Vol, halfvol, plantaardig, met mango, zonder schuldgevoel. Humor helpt relativeren: soms denk ik dat Jezus vandaag zou zeggen: mens, je hebt geen nieuwe beker nodig, je hebt dorst naar leven.
Paulus schrijft vanuit de gevangenis: ‘Ik heb geleerd tevreden te zijn in alle omstandigheden’ (Filippenzen 4:11). Dat is geen goedkope slogan. Paulus kende overvloed én tekort. Zijn geheim is geen sterke wil, maar vertrouwen: ‘Alles kan ik aan door Hem die mij kracht geeft.’ Tevredenheid is geen bezit, het is een relatie.
De veertigdagentijd nodigt ons uit om te oefenen met genoeg. Misschien door iets te laten staan, niet om stoer te doen, maar om ruimte te maken. Ruimte voor God. Ruimte voor de ander. Ruimte om te delen. Want genoeg wordt pas echt genoeg als het gedeeld wordt. In Exodus krijgt het volk manna, elke dag precies voldoende. Wie hamstert, komt bedrogen uit. Dat verhaal is verrassend actueel.
Wat betekent dit concreet? Misschien dat we deze weken eerlijk kijken naar onze overvloed én onze angsten. Dat we bidden voor wie structureel tekort komt. Dat we geven, niet vanuit schuld, maar vanuit verbondenheid. En dat we mild zijn voor onszelf. Genoeg is geen eindpunt, maar een richting.
We staan in de vastentijd en daar klinkt geen harde opdracht, maar een uitnodiging. Adem in. Adem uit. Kijk naar wat er al is. En hoor God zachtjes zeggen: het is genoeg. Jij bent genoeg. En van daaruit mag je leven, delen en hopen.
Misschien helpt het om deze weken één simpele vraag mee te nemen. Niet bij elk winkelrek, maar wel bij elke keuze: wat heb ik nodig om mens te zijn voor God en voor anderen? Dat antwoord verschilt per persoon, per fase, per dag. En dat is oké. Genoeg is geen meetlat om elkaar langs te leggen, maar een kompas dat richting geeft. Laten we samen zoeken, struikelen, lachen om onze eigen hebberigheid, en steeds weer terugkeren naar de Bron. Daar blijkt, tegen alle reclames in, dat genade niet opraakt.
Zo wordt de vastentijd geen sombere oefening, maar een hoopvolle weg waarop we ontdekken dat delen lichter maakt, ontvangen verdiept, en genoeg uiteindelijk een geschenk blijkt voor ons allemaal, vandaag en morgen, in vertrouwen.